Nederlands Ελληνικά
één /eːn/
  • 1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
ένα
een ένας
in een handomdraai
  • 1. snel doordat het weinig moeite kost, vlot alsof het gemakkelijk is
εν ριπή οφθαλμού
een gegeven paard niet in de bek kijken του χαρίζανε γάιδαρο και τον κοίταζε στα δόντια
Wiktionary Links