abiding – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

abiding adjective

  /əˈbaɪ.dɪŋ/
  • continuing
blijvend, voortdurend

abide verb

  /əˈbaɪd/
  • wait in expectation
afwachten
  • endure without yielding
doorstaan, ondergaan, verdragen, uithouden
  • bear patiently; tolerate
toelaten, tolereren, verdragen
  • dwell
verblijven, wonen

abidance noun

  /əˈbaɪd.n̩s/ , /əˈbaɪd.n̩ts/
  • compliance
nakomen van, naleving
Wiktionary Links