abounding – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

abounding adjective

  /əˈbaʊn.dɪŋ/
  • ample, plenteous, plenty
gevaarlijk gezwollen, overvloedig, uiterst rijk, zeer productief

abound verb

  /əˈbaʊnd/
  • to be plentiful
in grote aantallen voorkomen, overvloedig aanwezig zijn, wemelen
  • to be copiously supplied with
krioelen van, wemelen van
  • to be full to overflowing
overvloedig voortbrengen, zeer productief zijn
Wiktionary Links