change – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

change verb

  /t͡ʃend͡ʒ/ , /t͡ʃeːnd͡ʒ/ , /ˈt͡ʃeɪnd͡ʒ/ , /ˈt͡ʃæɪnd͡ʒ/ , /ˈt͡ʃɛjnd͡ʒ/ , [ˈt͡ʃʰeɪ̯nd͡ʒ] , [ˈt͡ʃʰæ̝ɪ̯nd͡ʒ]
veranderen, aanpassen, vervangen, verwisselen
  • to become something different
veranderen, zich aanpassen
  • to transfer to another vehicle
overstappen
  • to replace one's own clothing
zich omkleden, veranderen

change noun

  /t͡ʃend͡ʒ/ , /t͡ʃeːnd͡ʒ/ , /ˈt͡ʃeɪnd͡ʒ/ , /ˈt͡ʃæɪnd͡ʒ/ , /ˈt͡ʃɛjnd͡ʒ/ , [ˈt͡ʃʰeɪ̯nd͡ʒ] , [ˈt͡ʃʰæ̝ɪ̯nd͡ʒ]
verandering, wisselgeld, aanpassing, wijziging, andere kleren, vervanging
  • balance returned after a purchase
wisselgeld
  • amount of cash
kleingeld
  • a transfer between vehicles
overstap
Wiktionary Links