hatch – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

hatch verb

  /hæt͡ʃ/
  • to incubate eggs
uitbroeden, een ei bevruchten
  • to devise
op een ei broeden
  • to emerge from an egg
uit het ei komen
  • of an egg, to break open
uitkomen

hatch noun

  /hæt͡ʃ/
  • horizontal door
luik
  • opening for serving food
doorgeefluik

hatching noun

  /ˈhæt͡ʃɪŋ/
  • method of shading
arcering
Wiktionary Links