hell – English–Nederlands translations
🇬🇧 en nl 🇳🇱
hell properNoun
/hɛl/
|
|
|---|---|
|
hel |
hell noun
/hɛl/
|
|
|---|---|
|
hel |
- bloody hell
- allemachtig
- the hell
- duivel, noppes
- what the hell
- ach schijt, lekker boeiend, wat de hel?, wat donder?, wat voor de donder?
- hell of a
- deksels
- go to hell
- naar de klote gaan
- when Hell freezes over
- als Pasen en Pinksteren op een dag vallen, met sint-juttemis, wanneer Pasen en Pinksteren op een dag vallen
- the road to hell is paved with good intentions
- de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens
- as hell
- als de neten, als de pest
- cold day in Hell
- als Pasen en Pinksteren op een dag vallen, met Sint Juttemis