Nederlands English
het /hɛt/, /ət/
  • 1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
it
het /hɛt/, /ət/
  • 1. bepaald lidwoord
the /ˈðiː/, /ði/, /ðə/
het uwe yours /jɔːɹz/, /jɔː(ɹ)z/
het kwik mercury /ˈmɝkjəɹi/, /ˈməː.kjʊ.ɹi/
het onze ours /ˈaʊɚz/, /ˈaʊəz/
het hare hers /əz/, /ˈhɝz/, /ˈhɜːz/, /ɚz/
het beste all the best
het jouwe yours /jɔːɹz/, /jɔː(ɹ)z/
het hunne theirs /ðɛəz/, /ðɛɚz/
gaat het? are you OK /ɑː juː əʊˈkeɪ/, /ɑɹ juː oʊˈkeɪ/
hoe is het how are you /haʊ ˈɑː juː/, /haʊ ˈɑɹ ju/
het zij zo so be it
het Oosten Orient /ˈɔɹ.i.ənt/, /ˈɔː.ɹɪ.ənt/
jé van hét the bee's knees
het opgeven die /daɪ/
het zal wel whatever /wʌtˈɛvɚ/, /ʍɒtˈɛvə/
in het rond abroad /əˈbɹɔd/, /əˈbɹɔːd/
in het lood plumb /plʌm/
in het wild in the wild
dat was het that's it
ik denk het I think so
het heersen prevalence
in het kort in short
in het nauw at bay
op het spel at stake
als het ware as it were
doe-het-zelf do-it-yourself
hoe gaat het how are you /haʊ ˈɑː juː/, /haʊ ˈɑɹ ju/
(het) gegrom growl /ɡɹaʊl/
het spijt me I'm sorry
het bekijken forget it
het verleden bygone /ˈbaɪɡɒn/, /ˈbaɪɡɔn/
je meent het duh /dʌ/, /dɜː/
in het vlees in person
in het begin originally /əˈɹɪdʒɪnəli/
aan het werk at work
in het geniep sneakily
het hof maken court /kɔɹt/, /ko(ː)ɹt/, /kɔːt/, /koət/
het opgaan in absorption /æbˈsɔɹp.ʃn̩/, /əbˈzɔːp.ʃn̩/
het ... ervan its /ɪts/
uit het hoofd by heart /baɪ ˈhɑɹt/, /baɪ ˈhɑːt/
hoe gaat het? how's it going
het gaat goed I'm fine
uit het niets out of the blue /aʊt ɒv ðə bluː/
het werd tijd it's about time /ɪts əˈbaʊt taɪm/
na het donker after dark
in het geheim on the sly
het abstracte abstractness /æbˈstɹæk.nəs/
onder het mes under the knife
het overleven keep one's head above water
het tij keren turn the tide
het doek valt the curtain falls
zijn aan het + be /bi/, /biː/
het ermee doen do /du/, /d͡ʒ/, /dʉː/, /duː/
het zou kunnen maybe /ˈmeɪbi/
het licht zien see the light
het prijsgeven abandonment /əˈbæn.dn̩.mn̩t/
het ga je goed take care
het OK krijgen green light
het is te duur it's too expensive
het was lekker it was delicious
het ijs breken break the ice /ˈbɹeɪk ði ˈaɪs/
voor het gemak conveniently
het lot tarten tempt fate
zoals het hoort straight /stɹeɪt/
vanaf het begin from scratch
het brood delen break bread
hoe maakt u het how do you do
zo is het leven such is life
in het algemeen at large
hoe zit het met what about
ik denk het wel I think so
het oneens zijn disagree /dɪsəˈɡɹi/, /dɪsəˈɡɹiː/
ieder het zijne to each his own
om het even wat haphazardly /hæpˈhæzədli/, /hæpˈhæzɚdli/
ik heb het koud I'm cold
het bed opmaken make the bed
het is net niks close, but no cigar
ik heb het warm I'm hot
het echte leven real life
ik wil het niet I don't want it
het is dringend it's an emergency
in het kraambed aborning /əˈbɔɹ.nɪŋ/
onder het kleed under the rug
naar het schijnt apparently /əˈpæɹ.ɨnt.li/, /əˈpaɹəntli/
(het) verknallen fuck up /ˈfʌkˌʌp/, /ˌfʌkˈʌp/
ik weet het niet I don't know [ɑɪ̯ ɾoʊ̯(ʔ)t̚ noʊ̯]
ik snap het niet I don't understand
uit het ei komen hatch /hætʃ/
hoe laat is het? what time is it
ik denk het niet I don't think so
het hoofd bieden defy /dɪˈfaɪ/
hoe komt het dat how come /haʊ kʌm/
op het nippertje in the nick of time
in het bijzonder in particular
in het verschiet in the offing
hoe is het weer? how's the weather
het brood breken break bread
as van het kwaad axis of evil
het laten hangen dishevel [dɪ(s)ˈʃɛvəɫ]
English Nederlands
heat /hiːt/, /çiːt/
  • thermal energy
warmte
heat /hiːt/, /çiːt/
  • condition or quality of being hot
hitte /ˈhɪtə/
warmte
heat /hiːt/, /çiːt/
  • hot spell
hittegolf
warmte
heat /hiːt/, /çiːt/
  • condition where a mammal is aroused sexually or where it is especially fertile
broeds
krols
loops
tochtig
heat /hiːt/, /çiːt/
  • attribute of a spice that causes a burning sensation in the mouth
pikantheid
heat /hiːt/, /çiːt/
  • preliminary race, used to determine the participants in a final race
voorrronde
hit /hɪt/
  • to give a blow
raken /rakən/
slaan /slan/
treffen /ˈtrɛfə(n)/
hit /hɪt/
  • to manage to touch in the right place
raken /rakən/
treffen /ˈtrɛfə(n)/
heat /hiːt/, /çiːt/
  • to cause an increase in temperature of an object or space
verwarmen
opwarmen
verhitten
heat /hiːt/, /çiːt/
  • to arouse, to excite (sexually)
heet worden
opwinden
hit /hɪt/
  • attack on a location
aanslag
hit /hɪt/
  • blow, punch
slag /slɑx/
stoot /stot/
hit /hɪt/
  • success, especially in the entertainment industry
hit
hit /hɪt/
  • collision of a projectile with the target
tref
heat up
  • cause to become hotter
stoken
Wiktionary Links