Nederlands English
licht /lɪxt/
  • 1. Elektromagnetische golven
  • 2. lichtbron
light [ɫɐɪ̯ʔ], /laɪt/, /lʌɪt/
licht /lɪxt/
  • 2. van een gewicht
  • 1. Helder van kleur
light [ɫɐɪ̯ʔ], /laɪt/, /lʌɪt/
groen licht
  • 1. groen verkeerslicht
  • 2. toestemming
green light
elektrisch licht electric light
licht roodoranje
  • 1. een lichte oranje kleur die naar rood zweemt
bright red orange
licht ivoorkleurig light ivory
licht ontvlambaar flammable
(licht) middagmaal lunch /lʌnt͡ʃ/
licht in het hoofd light-headed
het licht zien see the light
daar zij licht let there be light
snelheid van het licht lightspeed
vele handen maken licht werk many hands make light work
Wiktionary Links