need – English–Nederlands translations
🇬🇧 en nl 🇳🇱
need noun
/nid/
,
/niːd/
,
[nɪi̯d]
|
|
|---|---|
|
behoefte |
|
nood |
need verb
/nid/
,
/niːd/
,
[nɪi̯d]
|
|
|---|---|
| nodig hebben, vereisen, behoeven, benodigen, nodig zijn | |
|
moeten, nodig hebben |
|
moeten hebben, nodig hebben |
needful |
|
|---|---|
| nodig | |
- do you need help
- heb je hulp nodig?, heeft u hulp nodig?
- I need ...
- ik heb ... nodig
- a friend in need is a friend indeed
- in nood leert men zijn vrienden kennen, vrienden in de nood, hondert in een lood
- I need a guide
- ik heb een gids nodig
- need-based
- behoeftegericht, op behoeften gebaseerd
- housing need
- woningnood
- state of need (staat van behoeftigheid)
- behoeftigheid
- if need be
- desgevallend, desnoods, indien noodzakelijk
- in need
- arm
Wiktionary Links
- English: need