roof – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

roof noun

  /ɹuːf/ , /ɹʉf/ , /ɹʊf/
  • the cover at the top of a building
dak, kap
  • the upper part of a cavity
plafond, dak

roofing

bedaking

🇳🇱 nl en 🇬🇧

roof noun

  • 1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
abduction
  • 2. de korst van een wond
crust

roof

heist
Wiktionary Links