rust – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

rust noun

  /rɵst/
  • 1. voortdurende toestand van kalmte
tranquillity, tranquility
  • 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
rest, peace
  • 4. pauze in een wedstrijd
half-time
  • 3. periode van weinig of geen activiteit
  • 5. moment van stilte in muziek
rest
  • 6. steunpunt
rest, support

🇬🇧 en nl 🇳🇱

rust noun

  /ɹʊst/ , /ɹʌst/ , /ɾʌst/
  • result of oxidation
roest, oxidatie
  • colour
roestbruin, roest
  • plant disease
roest

rust verb

  /ɹʊst/ , /ɹʌst/ , /ɾʌst/
  • to oxidise
roesten, oxideren, verroesten
Wiktionary Links