seizoen – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

seizoen noun

  /sɛɪ̯.ˈzun/ , /sɛː.ˈzun/
  • 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
  • 2. een jaarlijks terugkerende periode
season
Wiktionary Links