sleutel – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

sleutel noun

  /sløːtəl/ , /sløːtəɫ/ , /ˈslø.tɔɫ/
  • 1. werktuig om te (ont)sluiten
  • 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
key, clef
  • 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
key
  • 2. moer- of Engelse sleutel
wrench, spanner
Wiktionary Links