summer – English–Nederlands translations
🇬🇧 en nl 🇳🇱
summer noun
/ˈsʌmə/
,
/ˈsʌmɚ/
,
[ˈsʌmə]
,
[ˈsʌmɚ]
,
[ˈsʌmɹ̩]
,
/~/
|
|
|---|---|
|
zomer, zomertijd |
- Indian summer
- nazomer
- summer solstice
- zomerpunt
- summer camp
- zomerkamp
- summer holidays
- zomervakantie
- one swallow does not a summer make
- een zwaluw maakt nog geen lente, een zwaluw maakt nog geen zomer, één ooievaar maakt nog geen zomer, één zwaluw maakt de lente niet
- summer stolstice
- zomerpunt
- summer month
- zomermaand
- Summer vacation
- zomervakantie
- indian summer
- nazomer