tang – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

tang noun

  /tɑŋ/
  • 1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
tongs, pliers
  • 2. oude vrouw
shrew, vixen, xanthippe

🇬🇧 en nl 🇳🇱

tang noun

  /ˈteɪ̯ŋ/ , /ˈtæŋ/ , /ˈtɛ̃ŋ/ , [ˈtʰeɪ̯ŋ] , [ˈtʰæŋ] , [ˈtʰɛ̃ŋ]
  • part of small instrument inserted into handle
angel
Wiktionary Links