🇬🇧 en nl 🇳🇱
tell verb
/tɛl/
,
[tʰɔː]
,
[tʰɛl]
,
[tʰɛɫ]
|
|
|---|---|
|
zeggen, vertellen, instrueren |
|
zeggen, vertellen |
- tell off
- berispen
- tell on
- klikken
- tell it to the marines
- maak dat de kat wijs
- tell apart
- onderkennen
- time will tell
- de tijd zal 't leren, de tijd zal het leren
- tell tales out of school
- uit de school klappen
- show, don't tell
- toon, in plaats van te vertellen
- tell fortunes
- iemands toekomst voorspellen
- I tell a lie
- liegen