vakantie – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

vakantie noun

  /vɑˈkɑn(t)si/
  • 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
holiday, vacation, time off
  • 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
holiday
Wiktionary Links