vork
noun
|
- 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
- 1. aftakking van een boomtak of van een weg
- 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
- 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
- 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
|
fork
|