vork – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

vork noun

  • 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  • 1. aftakking van een boomtak of van een weg
  • 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
  • 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
  • 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
fork
Wiktionary Links
  • ελληνικά: Vork
  • Nederlands: vork