Nederlands English
vork
  • 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  • 1. aftakking van een boomtak of van een weg
fork /fɔɹk/, /fɔːk/
met een vork eten fork /fɔɹk/, /fɔːk/
hoe de vork in de steel zit ins and outs
te veel hooi op de vork nemen bite off more than one can chew
Wiktionary Links