Nederlands English
zon /zɔn/
  • 1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
sun /sʌn/
sunshine /ˈsʌnʃaɪn/
Zon /zɔn/ Sun /sʌn/
Land van de Rijzende Zon Land of the Rising Sun
land van de rijzende zon Land of the Rising Sun
niets nieuws onder de zon there is nothing new under the sun
achter de wolken schijnt de zon every cloud has a silver lining
Wiktionary Links