zwik – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

zwik noun

  /zʋɪk/
  • 2. hoekstuk tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervan
spandrel
  • 4. het zwikken, verstuiking
sprain
  • 3. penis, vernoemd naar de pinvormige gelijkenis
pecker, peg
  • 1. een houten pin, wig
peg, plug
  • 6. een grote hoeveelheid
shedload
Wiktionary Links