aflopen – Español–Nederlands translations

🇳🇱 nl es 🇪🇸

aflopen verb

  /ˈɑflopə(n)/ , /ˈɑfloːpə(n)/
  • 2. hellen
bajar, descender
  • 1. eindigen
caducar, terminarse
  • 3. klinken van alarmsignaal
dispararse
  • 4. verslijten
gastar
  • 5. een ruimte doorlopen
recorrer
Wiktionary Links