afsluiten – Español–Nederlands translations

🇳🇱 nl es 🇪🇸

afsluiten verb

  /'ɑf.slœy.tə(n)/
  • 1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
cerrar
  • 2. zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
desconectar
  • 4. een einde maken aan
terminar
Wiktionary Links