het – Español–Nederlands translations
🇳🇱 nl es 🇪🇸
het article
/(ɦ)ət/
,
/hɛt/
|
|
|---|---|
|
el, la, lo |
het personalPronoun
/(ɦ)ət/
,
/hɛt/
|
|
|---|---|
|
lo, ello, le |
- op het matje roepen
- convocar
- in het land der blinden is eenoog koning
- en el reino de los ciegos, el tuerto es el rey
- juffertje-in-het-groen
- neguilla, arañuela
- het kan me niets schelen
- me importa un carajo, no me importa, me importa una mierda
- staakt-het-vuren
- alto el fuego
- naamwoordelijk deel van het gezegde
- complemento predicativo, atributo
- het regent pijpenstelen
- Llueve a cántaros.
- al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding
- la mona aunque se vista de seda, mona se queda
- doe-het-zelf
- bricolaje, hazlo tú mismo, hágalo usted mismo