sturen
verb
/'styːrə(n)/
|
- 2. het stuur van een auto bedienen.
|
conducir
|
- 6. [een persoon] ergens heen doen gaan
|
enviar,
mandar
|
- 1. de richting bepalen waarin een schip zich voortbeweegt.
|
gobernar
|
- 5. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert.
|
manejar
|