val
noun
/vɑɫ/
|
- 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
|
trampa
|
val
noun
/vɑɫ/
|
- 1. omlaag gaan
- 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
- 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
- 4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
|
caída
|