afsluiten – Français–Nederlands translations

🇳🇱 nl fr 🇫🇷

afsluiten

contracter

afsluiten verb

  /'ɑf.slœy.tə(n)/
  • 3. een officiële afspraak op papier maken, officieel regelen
  • 4. een einde maken aan
achever
  • 2. zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
changer de cap
  • 1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
fermer
Wiktionary Links