🇳🇱 nl fr 🇫🇷
dag noun
/dɑx/
,
/dɑχ/
|
|
|---|---|
|
jour, journée |
dag interjection
/dɑx/
,
/dɑχ/
|
|
|---|---|
|
salut |
- dag-en-nachtevening
- équinoxe
- vrije dag
- jour de congé
- dag ervoor
- veille
- vorige dag
- veille
- de dag nadien
- lendemain
- de volgende dag
- lendemain
- als Pinksteren en Pasen op één dag vallen
- à la Saint-Glinglin
- morgen is er weer een dag
- à chaque jour suffit sa peine
- Aken en Keulen zijn niet op één dag gebouwd
- Paris ne s’est pas fait en un jour