hand – Français–Nederlands translations
🇳🇱 nl fr 🇫🇷
hand noun
/ɦɑnt/
|
|
|---|---|
|
main, mains |
- zich met hand en tand verzetten
- se défendre bec et ongles
- aan de hand zijn
- arriver
- alsof er niets aan de hand is
- comme si de rien n’était
- beter één vogel in de hand dan tien in de lucht
- un tien vaut mieux que deux tu l’auras
- hand-, voet- en mondziekte
- syndrome pieds-mains-bouche
- uit de hand lopen
- tourner au vinaigre
- hand van God
- main de Dieu
- in de hand
- en main
- helpende hand
- main tendue