leven – Français–Nederlands translations

🇳🇱 nl fr 🇫🇷

leven noun

  /'levən/
  • 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  • 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
vie

leven verb

  /'levən/
  • 1. het doormaken van het leven
vivre
Wiktionary Links