🇳🇱 nl fr 🇫🇷
maar conjunction
/maːr/
|
|
|---|---|
|
mais, cependant |
- de honden blaffen maar de karavan gaat door
- le chien aboie, la caravane passe
- de mens wikt maar God beschikt
- l’homme propose et Dieu dispose
- alleen maar om
- histoire de
- een goed verstaander heeft maar een half woord nodig
- à bon entendeur salut
- vooruit dan maar
- passe encore
- schrijf het maar op je buik
- compte là-dessus et bois de l’eau fraîche
- langzaam maar zeker
- lentement mais sûrement