stopwoord – Français–Nederlands translations

🇳🇱 nl fr 🇫🇷

stop noun

  • 2. halte
  • 4. besluit om groei of toename te stoppen
arrêt
  • 3. voorwerp dat een opening kan afsluiten
bouchon
  • 1. zekering
lest

🇳🇱 nl fr 🇫🇷

woord noun

  /ʋoːrt/ , /ˈʋʊːrt/ , /ˈβoːrd/ , /ˈβoːrt/
  • 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
mot, parole
  • 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
mot
  • 2. belofte
  • 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
parole, mot

woord noun

  /ʋoːrt/ , /ˈʋʊːrt/ , /ˈβoːrd/ , /ˈβoːrt/
  • 1. mannetjeseend
canard
Wiktionary Links