sturen
verb
/'styːrə(n)/
|
- 4. de richting bepalen waarin [een voertuig] zich voortbeweegt.
|
diriger
|
- 6. [een persoon] ergens heen doen gaan
|
envoyer,
renvoyer
|
- 5. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert.
|
commander,
piloter
|
- 2. het stuur van een auto bedienen.
|
conduire
|