dan – Nederlands–Svenska translations

🇸🇪 sv nl 🇳🇱

dag noun {u}

dagen/dan, dagarna/darna   /dɑː/ , /dɑːɡ/
dag

dån noun {n}

dånet, dånen
  • buller, oväsen
gerommel

dän adverb

weg

🇳🇱 nl sv 🇸🇪

dan conjunction

  • 1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
än

dan adverb

  • 1. toekomstig tijdstip
alltså

dan adverb

  • 1. behalve
förutom
Wiktionary Links