🇳🇱 nl sv 🇸🇪

pas noun

  • door een overheid verkregen identiteitsbewijs.
  • doorgang tussen bergtoppen, waar men over de bergkam heen kan.
  • (in België) (sport) schot naar een medespeler
pass
  • het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan.
framsteg
  • manier van lopen.
med all aktning för

pas adverb

  • niet eerder dan.
dessutom
  • even tevoren.
just
  • in nog hogere mate.
nu

🇸🇪 sv nl 🇳🇱

Wiktionary Links
  • Nederlands: pas
  • Svenska: Pas