zijn – Nederlands–Svenska translations

🇳🇱 nl sv 🇸🇪

zijn verb

  • 3. zich bevinden.
  • 5. gelijk zijn aan.
  • 6. tot de groep behoren van
  • 1. bestaan
  • 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  • 7. de eigenschap hebben.
  • 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
vara

zijn possessivePronoun

  • 1. derde persoon enkelvoud m/o
hans
Wiktionary Links