Nederlands Deutsch
Chinees /ʃi.ˈnes/
  • 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
Chinesisch {n} ʃiˈneːzɪʃ, kiˈneːzɪʃ, çiˈneːzɪʃ
Chinees /ʃi.ˈnes/
  • 2. persoon
der Chinese (Pl.: die Chinesen) {m} kiˈneːzə, çiˈneːzə
Chinesisch {n} ʃiˈneːzɪʃ, kiˈneːzɪʃ, çiˈneːzɪʃ
Chinees /ʃi.ˈnes/
  • 1. betreffende China
chinesisch ˈʃiˈneːzɪʃ, ˈkiˈneːzɪʃ, çiˈneːzɪʃ
Chinesisch
vereenvoudigd Chinees /vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
  • 1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
vereinfachtes Chinesisch
traditioneel Chinees traditionelles Chinesisch
dat is Chinees voor mij etwas kommt jemandem spanisch vor
Chinees klokje die Forsythie (Pl.: die Forsythien) {f} fɔʁˈziːt͡si̯ə, fɔʁˈzyːt͡si̯ə, fɔʁˈzyːti̯ə
Wiktionary Links