Zeit – Deutsch–Nederlands translations
🇩🇪 de nl 🇳🇱
Zeit noun {f}
Zeit, Zeiten
/t͡saɪ̯t/
|
|
|---|---|
|
tijd |
zeit preposition
/t͡saɪ̯t/
|
|
|---|---|
|
aanhangig |
- von Zeit zu Zeit
- van tijd tot tijd, af en toe
- Zeit ist Geld
- tijd is geld
- Zeit der Streitenden Reiche
- Periode van de Strijdende Staten
- Zeit der Frühlings- und Herbstannalen
- Periode van Lente en Herfst
- Zeit verstreichen lassen
- tijd laten vorbijgaan
- alle Zeit der Welt
- alle tijd van de wereld
- im Laufe der Zeit
- in de loop der tijden, in de loop van de tijd
- den Finger am Puls der Zeit haben
- de vinger aan de pols houden
- kommt Zeit, kommt Rat
- komt tijd komt raad