baan – Deutsch–Nederlands translations

🇳🇱 nl de 🇩🇪

baan noun

  /baːn/
  • 5. strook materiaal
Streifen
  • 1. het werk
Stelle, Arbeitsstelle
  • 2. verkeersweg
  • 6. bovenblad van aambeeld
Bahn
  • 4. sportterrein
Rennbahn, Sportplatz
  • 7. schietterrein
Schießstand
  • 3. traject van een projectiel/hemellichaam
Trajectorie
Wiktionary Links