🇩🇪 de nl 🇳🇱
beißen verb
beiße, biss, habe gebissen
/ˈbaɪ̯sn̩/
|
|
|---|---|
|
bijten |
- Hunde, die bellen, beißen nicht
- blaffende honden bijten niet
- ins Gras beißen
- in het zand bijten, sneuvelen
- in den sauren Apfel beißen
- door de zure appel bijten
- sich auf die Zunge beißen
- met kromme tenen zitten, zich op zijn tong bijten
- sich ein Monogramm in den Hintern beißen
- zich groen en geel ergeren