bellen – Deutsch–Nederlands translations

🇳🇱 nl de 🇩🇪

bellen verb

  • 3. iemand opbellen, telefoneren naar iemand
anrufen, telefonieren
  • 1. de deurbel over laten gaan
  • 2. door middel van een bel een signaal geven
klingeln
  • 4. door middel van een bel roepen
klingeln nach

🇩🇪 de nl 🇳🇱

bellen verb

belle, bellte, habe gebellt   /ˈbɛlən/
  • die für Hunde typischen stimmhaften Töne von sich geben
blaffen

Bellen noun {n}

Bellen   /ˈbɛlən/
  • bellendes Geräusch
blaffen
Wiktionary Links