Nederlands Deutsch
blauw /blʌʊ/
  • 1. de kleur blauw hebbend
blau blaʊ̯
blauw /blʌʊ/
  • 1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
Blau {n} blaʊ̯
blau
Pruisisch blauw
  • 1. een variant van de kleur blauw met een groenachtige ondertoon
preußischblau
bont en blauw slaan grün und blau schlagen ˌɡʁyːn ʊnt ˈblaʊ̯ ˌʃlaːɡn̩
blauw van de kou zijn sich einen abfrieren
blauw walstro die Ackerröte (Pl.: —) {f} ˈakɐˌʁøːtə
Wiktionary Links