Nederlands Deutsch
hamer /ˈhamər/
  • 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  • 2. één van de gehoorsbeentjes in het oor
der Hammer (Pl.: die Hammer) {m} ˈhamɐ
hamer en sikkel Hammer und Sichel
onder de hamer komen unter den Hammer kommen ˈʊntɐ deːn ˈhamɐ ˈkɔmən
Wiktionary Links