🇩🇪 de nl 🇳🇱

kommen verb

komme, kam, bin gekommen   /ˈkɔmən/
  • örtlich: einen Ort erreichen, sich von einem Ort hierher begeben
  • zeitlich: beginnen, sich ereignen, sich ergeben
  • umgangssprachlich: einen Orgasmus erleben
komen, klaarkomen
  • im Imperativ auch freundliche Aufforderung zum Einlenken oder kooperativen Verhalten
  • kausal, kommen von: verursacht werden durch
  • zu etwas kommen: etwas erhalten oder erlangen
komen

🇳🇱 nl de 🇩🇪

kam noun

  /kɑm/
  • getand object om haren mee te verzorgen
Kamm
  • (muziekinstrument) onderdeel van een snaarinstrument waarover de snaren strak gespannen worden, met het doel de onderlinge afstand te bewaren of de trillingen op het resonantielichaam over te brengen
Steg
Wiktionary Links