🇩🇪 de nl 🇳🇱
kommen verb
komme, kam, bin gekommen
/ˈkɔmən/
|
|
|---|---|
|
komen, klaarkomen |
|
komen |
- vom Regen in die Traufe kommen
- van de regen in de drup komen, van kwaad tot erger worden
- vom Hundertsten ins Tausendste kommen
- van de hak op de tak springen, de draad kwijt raken
- zu Wort kommen
- aan het woord komen, zich uitspreken
- zur Sache kommen
- ter zake komen
- unter den Hammer kommen
- geveild worden, onder de hamer komen
- jemandem auf die Schliche kommen
- iemand doorhebben, iemand doorzien, iemand in de gaten hebben, iemand in de smiezen hebben
- nicht vom Fleck kommen
- met iets niet vooruit komen
- vom Hölzchen aufs Stöckchen kommen
- de draad kwijt raken, van de hak op de tak springen
- zu sich kommen
- tot bewustzijn komen, weer bijkomen