luik – Deutsch–Nederlands translations

🇳🇱 nl de 🇩🇪

luik noun

  /lœʏ̯k/ , /lœːk/
  • 3. openklappende plank die een raam afdekt en beschermt
Fensterladen, Laden
  • 4. onderdeel van een altaar-schilderij
Flügel
  • 1. openklappend vlak, klapdeur
Klappe, Kläppchen
  • 2. afdekking van een scheepsruim
Luke

Luik properNoun

  /lœʏ̯k/ , /lœːk/
  • 1. een provinciehoofdstad in België
  • 2. een Belgische provincie
Lüttich
Wiktionary Links