nicht – Deutsch–Nederlands translations
🇩🇪 de nl 🇳🇱
nicht adverb
/nɪçt/
,
/nɪçt/
|
|
|---|---|
|
niet |
nicht- prefix
/nɪçt/
|
|
|---|---|
|
niet- |
- Unkraut vergeht nicht
- onkruid vergaat niet
- Unkraut verdirbt nicht
- onkruid vergaat niet
- man soll den Tag nicht vor dem Abend loben
- de huid niet verkopen voor de beer geschoten is
- es ist nicht alles Gold, was glänzt
- het is al geen goud wat er blinkt, het is niet al goud wat blinkt
- nicht alle Tassen im Schrank haben
- het zwarte garen niet hebben uitgevonden, ze niet alle vijf hebben, ze niet alle vijf op een rijtje hebben
- nicht von gestern sein
- niet van gisteren zijn
- Hunde, die bellen, beißen nicht
- blaffende honden bijten niet
- einem geschenkten Gaul schaut man nicht ins Maul
- Een gekregen paard ziet men niet in de bek, je moet een gegeven paard niet in de bek kijken
- nicht alle Latten am Zaun haben
- ze niet alle vijf hebben, ze niet alle vijf op een rijtje hebben