prikkelen – Deutsch–Nederlands translations

🇳🇱 nl de 🇩🇪

prikkelen verb

  /ˈprɪkələn/
  • 5. (seksueel) opwinden
erregen, reizen
  • 3. ergeren
  • 2. aanzetten, aansporen
reizen
  • 4. (medisch) irriteren
reizen, prickeln
  • 1. (herhaaldelijk) prikken
stacheln
Wiktionary Links