Nederlands Deutsch
spijker
  • 1. een metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
der Nagel (Pl.: die Nägel) {m} ˈnaːɡl̩
spijker
  • 4. (uitdrukking) ± Spijkers op laag water zoeken.
Haarspalterei betreiben.
spijker
  • 2. (uitdrukking) ± De spijker op de kop slaan.
den Nagel auf den Kopf treffen.
op een spijker zagen eine Bauchlandung machen ˈaɪ̯nə ˈbaʊ̯xˌlandʊŋ ˈmaxn̩
de spijker op de kop slaan den Nagel auf den Kopf treffen deːn ˈnaːɡl̩ aʊ̯f deːn ˈkɔp͡f ˈtʁɛfn̩
Wiktionary Links