🇩🇪 de nl 🇳🇱
tragen verb
trage, trug, habe getragen
/ˈtʁaːɡn̩/
,
/ˈtʁaːɡŋ̍/
|
|
|---|---|
|
dragen |
Trage noun {f}
Trage, Tragen
/ˈtʁaːɡə/
|
|
|---|---|
|
draagbaar, brancard |
träge adjective
/ˈtʁɛːɡə/
|
|
|---|---|
|
langzaam |
|
inert |
|
flegmatisch |
- die Hosen auf halbmast tragen
- hoogwater
- Eulen nach Athen tragen
- uilen naar Athene dragen, uilen naar Athene brengen, water naar zee dragen
- Wasser ins Meer tragen
- uilen naar athene dragen, water naar zee dragen
- Früchte tragen
- vruchten afwerpen
- sein Herz auf den Lippen tragen
- zijjn hart op zijn tong dragen, zijn hart op zijn tong hebben
- sein Herz auf der Zunge tragen
- zijn hart op zijn tong dragen
- Holz in den Wald tragen
- water naar zee dragen
- jeder hat sein Bündel zu tragen
- ieder heeft zijn kruis te dragen
- so weit die Füße tragen
- zo ver de voeten kunnen dragen