Nederlands Deutsch
twee /tʋeː/
  • 1. het getal 2
zwei
zwo
twee /tʋeː/
  • 1. het cijfer twee
die Zwei (Pl.: die Zweien) {f} t͡svaɪ̯
zwei
met twee maten meten
  • 1. situaties die eigenlijk hetzelfde zijn toch heel anders beoordelen
mit zweierlei Maß messen
als twee druppels water auf ein Haar
tussen twee vuren zitten zwischen Baum und Borke stehen
twee linkerhanden hebben zwei linke Hände haben
twee handen op een buik zijn unter einer Decke stecken ˈʊntɐ ˈaɪ̯nɐ ˈdɛkə ˈʃtəkn̩
twee vliegen in één klap slaan zwei Fliegen mit einer Klappe schlagen t͡svaɪ̯ ˈfliːɡn̩ mɪt ˈaɪ̯nɐ ˈklapə ˈʃlaːɡn̩
als twee druppels water op elkaar lijken wie ein Ei dem anderen gleichen
er kunnen geen twee kapiteins zijn op een schip viele Köche verderben den Brei ˈfiːlə ˈkœçə fɛɐ̯ˈdɛʁbn̩ deːn bʁaɪ̯
twee keer zweimal ˈt͡svaɪ̯maːl
twee-persoons-kamer das Doppelzimmer (Pl.: die Doppelzimmer) {n} ˈdɔpl̩ˌt͡sɪmɐ
Wiktionary Links